Interview met Willem Hajenius

Op zaterdagavond 22 juni 2013 vond er een interview plaats met Willem Hajenius in het schaakdomein van Dubbelschaak: het Grand Cafe Rembrandt aan de Rechterstraat te Boxtel. Hij had overdag geschaakt in het Huub van Dongen Memorial Toernooi. Hajenius heeft al diverse schaakboeken op zijn naam staan en die zelfs in een andere taal zijn gepubliceerd. Willem komt bij mij over als een relaxte, goedlachse, gepassioneerde schaker en schrijver. Zijn verhalen zijn boeiend en onuitputtelijk en als gepensioneerde kan hij nu nog meer tijd aan schaken besteden.  Voorts heeft hij nog lange tijd in Brazilië gewoond eer hij met zijn vrouw in België neerstreek.
Voor hij in Boxtel kwam schaken had hij onlangs nog meegedaan aan een toernooi op Sardinië in Italië en daar een leuk prijsje gewonnen.

Eind 2009 bracht hij het boek “ ’t Amusement, het plezante van schaken” op de markt. Een mooie mix van schaakverhalen verslagen, partijen, combinaties, eindspelen.  Eerdere titels van zijn boeken zijn: “Kasparov op weg naar de top” dat ook in het Duits vertaald is. “Veldjes Tellen” dat zowel in het Engels als in het  Portugees vertaald werd. “Veldjes Tellen” gaat puur over pionneneindspelen. Boeiend en leerzaam.
Je hebt van “ ’t Amusement” een prachtige mix gemaakt van verhalen, partijen e.d. Waarom?
Het boek heb ik in feite gepubliceerd voor familie, vrienden en bekenden. Het meeste van wat ik in clubbladen e.d. geschreven had: interviews, verhalen, een aantal toernooien en partijen heb ik op deze manier gebundeld. Ik wilde er geen winst op behalen, maar wel “break-even” spelen dus met andere woorden heb ik er een aantal verkocht om quitte te spelen en dat is mij aardig gelukt moet ik zeggen.
Nu neemt  Willem Hajenius het boek in zijn hand en laat mij de flap op de achterzijde zien. Hierop staat een foto van straatschaak in Amerika. Hij wijst met zijn vinger op een voorwiel van een fiets die voor de helft onder een schaaktafel is verborgen en Willem zegt tegen mij  “deze toeschouwer heeft een gedeelte van zijn voorwiel onder de tafel geplaatst en volgt vanop zijn fiets de partijen die op straat werden gespeeld”.
Mooi fragment is je ontmoeting met João Lourenço Cordioli, toen 91 jaar oud. Dat was tijdens de jaarlijkse FIDE wereldkampioenschap voor senioren in Gmunden te Oostenrijk in 2007.
Ja, dat klopt. Hij was daar samen met zijn zoon Jairo, toen ook al 60 jaar, zij speelden mee in het toernooi. Dit is een toernooi van oude mannetjes (60+) en jonge vrouwtjes (50+). Jááá, die mannetjes lusten ook wel eens een groen blaadje! Ik heb met João vroeger in Brazilië gespeeld. Het was mooi om al die oude herinneringen weer op te halen.
In Arnhem had je een levendig gesprek met de Argentijnse grootmeester Oscar Panno en spraken jullie over het Palma de Mallorca incident dat in 1970 plaatsvond.
Ja, Panno moest tegen Fischer spelen en Fischer had het voor elkaar gekregen dat het speelschema voor hem werd aangepast vanwege religieuze motieven. Hij was tijdens het toernooi zevende-dag adventist geworden of zo. In plaats van overdag te spelen werd de partij pas na zonsondergang verschoven, om 19.00 uur. Panno was hier echter niet van gediend en ondanks het feit dat Fischer aanwezig was om de eerste zet 1 c2-c4 te spelen kwam Panno niet opdagen omdat hij niet naar de pijpen wilde dansen van Fischer. Zodoende kreeg Panno een nul. Panno had formeel gelijk en kreeg een paar dagen later van FIDE-voorzitter en top-diplomaat Max Euwe een grote fles uitmuntende cognac “ter compensatie”.
In je boek heb je ook onder andere een hoofdstuk gewijd aan de grote schaaktovenaar Rashid Nezhmetdinov, ben je een groot fan van deze virtuoos?
In Kazan wordt er elk jaar een toernooi gespeeld ter ere van Nezhmetdinov. Hij was een erg bescheiden man, heel eenvoudig maar een groot creatief schaker. Toen er ooit aan Tal werd gevraagd wat zijn mooiste partij was die hij gespeeld had antwoordde hij: “mijn verliespartij tegen Nezhmetdinov!”. Tal had hem op zeker moment zelfs ingelijfd in zijn secondantenteam. Hij heeft slechts één keer kunnen winnen van Nezhmetdinov, maar daar staan drie nederlagen tegenover. En geen enkele remise tussen deze twee houwdegens! Ik heb het boek van Alex Pishkin over Nezhmetdinov, met echt hele mooie partijen. Eén van mijn dromen is om een keer in Rusland een schaaktoernooi te spelen. Maar dan wil ik ook wel wat Russisch kunnen spreken. Daar moet dus nog aan gewerkt worden!
Uit de stukjes in je boek  blijkt ook  de liefde voor de schaakclub in Mechelen.
Dat kun je wel stellen, ik schrijf nog steeds stukjes in de “Tam-Tam”, het clubblad van Mechelen. Onlangs heb ik weer een stukje gewijd aan het Tata toernooi dat elk jaar in Nederland plaatsvindt. En over de Hongaarse vrouwelijke super-schaakgrootmeester Judith Polgar. Dit jaar speel ik voor een schaakclub met de naam Oude God in Mortsel nabij Antwerpen. Zo voel ik me ook, haha! Voor de Nederlandse competitie speel ik voor het team van Overschie.
Had je een speciale band met Garry Kasparov?
Ik ben ooit in 1982 met de auto naar Luzern gereden om daar de partijen van Kasparov op de Olympiade te Willem2verzamelen voor mijn boek “Kasparov op weg naar de top” dat bijna af was. Dit boek bood ik hem een viertal jaren later aan in Brussel. Zijn eerste opmerking was dat hij dit boek helemaal niet nodig had omdat hij al zijn partijen zó uit zijn hoofd kon naspelen!  Pas toen ik uitlegde dat ik een grote fan van hem was, en dat zo vele schakers uit Nederland en België van zijn partijen konden genieten, ontdooide hij volledig en nam mijn boek met een grote “smile” in ontvangst. Het boek was het eerste boek dat in het Westen verscheen met de partijen van Kasparov. Van dit boek is zelfs een Duitse uitgave verschenen. Zelf had ik als titel “Kasparov, toekomstig wereldkampioen” bedacht, maar de uitgever vond dit maar niks. Want Kasparov was nog lang geen wereldkampioen en stel dat hij onder een bus terecht zou komen dan zaten ze met een berg onverkoopbare schaakboeken!
Ook heb je in 1992 de al op leeftijd zijnde Russische grootmeester  David Bronstein ontmoet, hoe was deze man?
Bronstein was een wat klagerige oude man die echter ontzettend sympathiek overkwam. Hij kwam met de uitspraak dat schaakopeningen net treinstations zijn, alles gaat over dezelfde rails naar een bepaald punt toe. Ik kreeg zelfs van hem een mooi gesigneerd exemplaar van zijn schaakboek Zurich 1953. Ook heb ik in “ ’t Amusement” een artikel aan hem gewijd. Bronstein is ook de bedenker van het Bronstein-tempo. Dat bedacht hij vele jaren vóór Fischer ook met het idee kwam om extra tijd per zet bij te geven. Er is een klein verschil: de extra-tijd die niet gebruikt werd kan men bij “Fischer” opsparen, bij “Bronstein” niet.
Heeft het schaken toekomst?
Sterker nog: het schaken gaat een mooie toekomst tegemoet! Als je ziet dat wereldkampioen Anand in Wijk aan Zee in 28 zetten (met zwart nog wel!) wint van  nummer 3 van de wereld Aronian, is dit “oerendhard” schaken! Ook al zijn de computers tegenwoordig oppermachtig, de mens achter het bord blijft vindingrijk. Misschien dat er in de toekomst bij grote internationale toernooien detectiepoortjes staan om de mobiele telefoons bij de spelers op te sporen. Spelers zouden bijvoorbeeld immers gebruik kunnen maken van internet op telefoon bij een sanitaire stop. In de toekomst zal heel het schaken overgaan op het Fischer-tempo. Met dit tempo kan men blijven spelen zonder door de klok gejaagd te worden. Voor de wedstrijdleiding is het ook ideaal: men moet blijven noteren, 3x dezelfde stelling, de 50-zetten regel, alles is te zien. Onlangs speelde ik een toernooi op Sardinië waar ze ook al dit tempo hanteerden: geen enkel incident deed zich voor. Het schijnt dat men tegenwoordig bij het dammen spreekt over een “plus-remise” en dit ook zo noteren als uitslag,  ik denk dat het schaken daar niet aan moet beginnen.
Vertel eens wat meer over de SWIFT-toernooien die plaatsvonden in Brussel.
Bessel Kok was de grote man van SWIFT (“Society for Interbank Financial Telecommunication”). Hij zocht naar meer naambekendheid voor het bedrijf, iets waar ook de medewerkers trots op zouden zijn. Er werd al snel aan schaken gedacht, want zoiets als tennis was ruim buiten budget. Toen iemand een opmerking durfde te maken omtrent de hoogte van het schaakbudget kaatste Bessel meteen de bal terug met “voor dat bedrag zou Boris Becker niet eens willen serveren!” Bessel vroeg aan mij om het een en ander te organiseren. Omdat SWIFT de hele wereld omspande moesten de schakers ook van overal komen. Mijn project “Caïssa” stoelde op een beproefd concept, à la Hoogovens, met groepen voor amateurs  en professionals. Dat was helemaal niet het idee van Bessel! Nee, Jan Timman moet komen. En de wereldkampioen, Karpov. In één keer de top, in één keer een supertoernooi. En dat lukte! We spreken nu 1986. De jaren er na werd dit nog verder uitgebouwd, met de 3 K’s, Karpov, Kasparov en Kortsnoi. Alles kon, het waren mooie toernooien daar in Brussel, een bruisend schaakgebeuren.
Je hebt ooit remise gespeeld tegen Karpov in een simultaanwedstrijd in Antwerpen 1997, waarom heb je deze partij niet in je boek gepubliceerd?
Eerlijk gezegd: niet aan gedacht. Ik speelde het Farajowitsch gambiet, en hoopte dat Karpov dat niet al te veel was tegengekomen in die hogere sferen. Hij speelde al gelijk zijn dame naar d5 wat niet de beste zet was.  Het gerucht deed ook de ronde dat een verzekeringsmaatschappij een Ferrari zou uitloven voor wie Karpov zou verslaan. En verdorie, toen ik onderweg was naar Antwerpen werd ik op de snelweg ingehaald door een Ferrari, en schoot het door mijn hoofd: “het zal toch niet waar zijn?”. Achteraf bleek het dus een goede publiciteitsstunt te zijn. Maar die firma durfde het toch niet aan. “Stel dat Karpov een slechte dag heeft?” Wel mooi dat ik een “plus-remise” maakte, om in dam-termen te blijven. Deze partij zit in elke database, maar meestal staat er niet bij dat het een simultaan betrof. Zo krijgen mijn tegenstanders een beetje ontzag wanneer ze zich voorbereiden op onze partij!
Je hebt ook samen met je schaakvriend Herman Claudius van Riemsdijk het boekje “Veldjes Tellen” gepubliceerd, dit boekje werd een groot succes!!
Dit boekje is ook in het Engels en het Portugees gedrukt. Persoonlijk vind ik de Portugese (beter gezegd, Braziliaanse) uitgave de mooiste. Het is ook de nieuwste en heeft daarom de meeste oefeningen en uitleg. Een vriend van mij, wereldtop-arbiter Geurt Gijssen heeft het voorwoord geschreven. Van hem heb ik ooit het eindspelboekje “Grigoriev, pionnenkunstenaar!” gekregen. Toen was het idee geboren om voor een ieder een toegankelijk eindspelboekje samen te stellen genaamd “Veldjes Tellen”. Herman van Riemsdijk heb ik leren kennen in Brazilië. Ik ging als 10-jarige met het gezin daar naartoe, Herman een paar jaar later. Daar speelden we samen in hetzelfde team, hij aan het eerste bord en ik aan het laatste. Ooit ben ik daar doorgedrongen tot de finale van het Braziliaans kampioenschap (1969) maar omdat ik niet de Braziliaanse nationaliteit had mocht ik toch niet meedoen. Toen heb ik een jaar niet meer geschaakt, uit pure frustatie. That’s life!
Zullen wij eindigen met een titel van een hoofdstuk in “Veldjes Tellen”:  “Nog Twee Biertjes Ober”?

Geen reakties meer mogelijk.